Niet ieder ongeval op het werk betekent automatisch aansprakelijkheid van de werkgever

Veel mensen denken: “Ik ben gewond geraakt tijdens mijn werk, dus mijn werkgever is aansprakelijk.” Dat klinkt logisch, maar juridisch ligt het genuanceerder. Een werkgever is namelijk niet automatisch verantwoordelijk voor ieder ongeluk dat tijdens werktijd gebeurt.

De belangrijkste vraag is meestal: had de werkgever dit ongeval redelijkerwijs kunnen en moeten voorkomen?

De zorgplicht van de werkgever

Volgens de wet moet een werkgever zorgen voor een veilige werkomgeving. Dat betekent onder meer dat er veilige materialen aanwezig moeten zijn, duidelijke instructies moeten worden gegeven en dat er toezicht moet zijn op veilig werken.

Schendt een werkgever die zorgplicht en raakt een werknemer daardoor gewond? Dan is de werkgever in veel gevallen aansprakelijk voor de schade.

Dat speelt bijvoorbeeld wanneer:

  • geen veiligheidsmaatregelen zijn genomen;
  • werknemers onvoldoende instructies krijgen;
  • onvoldoende toezicht wordt gehouden op de naleving van veiligheidsregels;
  • machines of materialen ondeugdelijk zijn;
  • gevaarlijke situaties blijven bestaan;
  • werknemers fysiek zwaar of risicovol werk moeten uitvoeren zonder bescherming.

In zulke situaties is er vaak sprake van een tekortkoming van de werkgever.

Niet ieder ongeluk betekent aansprakelijkheid

Tegelijkertijd betekent een ongeval op de werkvloer niet automatisch dat de werkgever iets fout heeft gedaan. Rechters maken regelmatig onderscheid tussen een arbeidsongeval en een zogenoemd “huis-tuin-en-keukenongeval”.

Dat zijn alledaagse ongelukjes die overal kunnen gebeuren: thuis, op straat of op kantoor, zonder dat daar direct een veiligheidsfout aan ten grondslag ligt.

Denk bijvoorbeeld aan situaties waarin iemand:

  • over zijn eigen voeten struikelt;
  • zich verstapt op een normale trap met leuning;
  • tegen een openstaande, goed zichtbare deur loopt;
  • uitglijdt terwijl er geen sprake is van een gladde vloer of lekkage.

In dat soort gevallen wordt niet snel aangenomen dat de werkgever aansprakelijk is.

De ernst van het letsel is niet doorslaggevend

Voor slachtoffers voelt dat soms onrechtvaardig, zeker wanneer het letsel ernstig is. Maar juridisch draait het niet om de ernst van het letsel. De centrale vraag blijft of de werkgever zijn zorgplicht heeft geschonden.

Een werkgever hoeft namelijk niet ieder denkbaar risico volledig uit te sluiten. De wet verlangt geen perfecte veiligheid. Wel moet een werkgever redelijke maatregelen nemen tegen voorzienbare gevaren op de werkvloer.

Verzekeraars wijzen aansprakelijkheid soms te snel af

In de praktijk zie ik regelmatig dat verzekeraars snel stellen dat sprake is van een “huis-tuin-en-keukenongeval”. Dat argument wordt vaak gebruikt om aansprakelijkheid af te wijzen.

Maar bij nader onderzoek blijkt soms dat er tóch onvoldoende veiligheidsmaatregelen waren genomen, of dat bepaalde risico’s binnen het bedrijf al langer bekend waren.

Een voorbeeld: struikelen kan pure pech zijn. Maar struikelen over losliggende kabels die al weken op dezelfde plek liggen? Dan kan de beoordeling ineens heel anders uitpakken.

Laat een arbeidsongeval altijd juridisch beoordelen

De omstandigheden van het ongeval maken uiteindelijk het verschil. Daarom is het belangrijk om een arbeidsongeval altijd juridisch te laten beoordelen. Ook wanneer een verzekeraar direct zegt dat de werkgever niet aansprakelijk is.

Twijfelt u over uw situatie of wilt u weten of uw werkgever aansprakelijk kan worden gehouden? Neem dan gerust contact met mij op. Ik kijk graag met u mee.

De vaststellingsovereenkomst bij het einde van een letselschadezaak

Het afsluiten van uw letselschadezaak

Aan het einde van een letselschadezaak komt vaak de vaststellingsovereenkomst (VSO) op tafel. Dit is het moment waarop de zaak definitief wordt afgerond.

Toch gaat het in de praktijk soms mis. Niet omdat er geen overeenkomst ligt, maar omdat niet altijd goed wordt begrepen wat er precies wordt afgesproken en vooral wat de gevolgen daarvan zijn voor de toekomst.

Juist daarom is het belangrijk dat u zich laat bijstaan door een deskundige, die u goed uitlegt wat u tekent.

Wat is een vaststellingsovereenkomst?

Een vaststellingsovereenkomst is de eindafspraak tussen u als slachtoffer en de verzekeraar van de aansprakelijke partij. In deze overeenkomst staat:

  • welk bedrag u ontvangt aan schadevergoeding;
  • onder welke voorwaarden de zaak wordt afgerond;
  • welke rechten u wel en niet behoudt.

Dat klinkt overzichtelijk, maar in de praktijk zitten de belangrijkste punten vaak in de details.

De belastinggarantie: wat betekent dat?

Een belangrijk onderdeel van de VSO is vaak de belastinggarantie.

Deze bepaling houdt in dat de schadevergoeding netto aan u wordt uitgekeerd en dat de verzekeraar garandeert dat u achteraf geen belasting hoeft te betalen over deze vergoeding.

Dat is belangrijk, omdat een schadevergoeding bedoeld is als compensatie voor schade en niet als inkomen. Toch kan de fiscale praktijk soms ingewikkelder zijn.

Het is goed om te weten dat een belastinggarantie meestal een afspraak is tussen u en de verzekeraar. Mocht de Belastingdienst toch van mening zijn dat (een deel van) de vergoeding belast is, dan ligt het risico in principe bij de verzekeraar. Maar hoe dit precies uitpakt, hangt af van de formulering van de afspraak.

Finale kwijting: definitief is ook écht definitief

Een ander belangrijk onderdeel van de VSO is de finale kwijting.

Dit betekent dat u en de verzekeraar na uitvoering van de overeenkomst niets meer van elkaar te vorderen hebben. De zaak is daarmee juridisch volledig afgesloten.

Dat houdt in:

  • geen aanvullende schadeclaims;
  • geen nieuwe posten die alsnog kunnen worden ingediend;
  • geen mogelijkheid om later terug te komen op de regeling.

Ook niet als uw klachten verergeren of als achteraf blijkt dat de schade groter is dan gedacht. Tenzij u daarover een voorbehoud in de VSO heeft laten opnemen.

Waarom dit zo’n belangrijk moment is

Juist omdat een VSO zo definitief is, is het belangrijk dat alle schade zorgvuldig in kaart is gebracht voordat u akkoord gaat.

In de praktijk kan het voorkomen dat:

  • klachten later verergeren;
  • kosten pas op langere termijn zichtbaar worden;
  • er nog medische onzekerheid bestaat.

Een te snelle afronding kan dan achteraf nadelig uitpakken.

Neem geen overhaaste beslissing

De kern is eenvoudig, maar belangrijk: een vaststellingsovereenkomst is geen formaliteit.

De bepalingen over belasting en finale kwijting bepalen hoe definitief de afronding werkelijk is en wie welk risico draagt.

Laat u daarom goed adviseren voordat u tekent, zodat u zeker weet dat u krijgt waar u recht op heeft, nu én in de toekomst.

Vragen over uw vaststellingsovereenkomst?

Heeft u een voorstel ontvangen van een verzekeraar en twijfelt u of u hiermee akkoord moet gaan? Neem dan vrijblijvend contact met mij op.

Ik beoordeel de overeenkomst en zorg ervoor dat uw belangen goed worden beschermd, voordat u een definitieve beslissing neemt.

Arbeidsongeval en eigen schuld? De werkgever is vaak tóch aansprakelijk

“Het was mijn eigen schuld”… of toch niet?

Het komt regelmatig voor dat een werknemer na een arbeidsongeval zegt: “Het was mijn eigen schuld.” Vaak denken zowel werknemer als werkgever dat de zaak daarmee is afgedaan.

Maar zo eenvoudig ligt het niet. In veel gevallen blijkt dat een werknemer tóch recht heeft op schadevergoeding.

De zorgplicht van de werkgever

In Nederland gelden strenge regels voor werkgeversaansprakelijkheid. Een werkgever heeft namelijk een zorgplicht. Dat betekent dat hij moet zorgen voor een veilige werkomgeving.

Deze zorgplicht gaat ver en houdt onder andere in dat de werkgever moet zorgen voor:

  • veilige materialen en hulpmiddelen;
  • duidelijke instructies;
  • toezicht op de naleving van die instructies.

Gaat er tijdens het werk iets mis? Dan is de werkgever in principe aansprakelijk voor de schade van de werknemer.

Ook bij een fout van de werknemer

Wat veel mensen niet weten, is dat een werkgever vaak óók aansprakelijk is als de werknemer zelf een fout maakt.

Dat klinkt misschien vreemd, maar de gedachte daarachter is duidelijk: mensen maken nu eenmaal fouten. Onoplettendheid, haast of routine horen bij het dagelijks werk.

De rechtspraak is daar helder over: een werkgever moet zijn werknemers ook beschermen tegen alledaagse menselijke fouten.

Wanneer is de werkgever niet aansprakelijk?

Er zijn slechts twee uitzonderingen waarin een werkgever niet aansprakelijk is:

  • als de werkgever kan aantonen dat hij alles heeft gedaan wat redelijkerwijs nodig was om het ongeval te voorkomen;
  • of als er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

Die laatste situatie komt in de praktijk zelden voor. Van bewuste roekeloosheid is alleen sprake als een werknemer zich écht bewust was van het gevaar en tóch bewust dat risico heeft genomen. Dat is moeilijk te bewijzen.

Voorbeelden uit de praktijk

In de praktijk blijkt vaak dat de werkgever toch aansprakelijk is, bijvoorbeeld bij:

  • een werknemer die van een trap valt zonder leuning;
  • een werknemer die uitglijdt op een natte vloer;
  • een werknemer die struikelt over rondslingerend materiaal.

De exacte omstandigheden van het ongeval zijn daarbij altijd van groot belang.

Ga niet te snel uit van “eigen schuld”

Het is dus belangrijk om niet te snel te concluderen dat “eigen schuld” betekent dat u geen recht heeft op schadevergoeding. In het arbeidsrecht ligt dat vaak anders.

Twijfelt u over uw situatie? Laat uw zaak dan beoordelen. In de praktijk blijkt regelmatig dat een werknemer tóch recht heeft op vergoeding van zijn schade, ook als hij zelf een fout heeft gemaakt.

Vragen over een arbeidsongeval?

Heeft u een arbeidsongeval gehad en wilt u weten waar u recht op heeft? Neem dan vrijblijvend contact met mij op. Ik beoordeel uw situatie en help u om te krijgen waar u recht op heeft.

Huishoudelijke hulp bij letselschade: ook vergoeding als het “gratis” is gedaan

Een ongeval raakt ook uw dagelijks leven

Een ongeval verandert niet alleen uw gezondheid, maar ook uw dagelijkse routine. De was doen, koken, boodschappen halen of de bedden opmaken: taken die voorheen vanzelfsprekend waren, kunnen na een ongeval ineens niet meer lukken.

Vaak springen uw partner, familieleden of vrienden bij. Dat is logisch en waardevol. Maar die hulp is juridisch gezien niet “gratis”. Als een ander aansprakelijk is voor het ongeval, dan moet ook deze huishoudelijke hulp worden vergoed.

Wat wordt verstaan onder huishoudelijke hulp?

Onder huishoudelijke hulp vallen werkzaamheden zoals:

  • schoonmaken;

  • koken;

  • boodschappen doen;

  • zorg voor (jonge) kinderen;

  • andere dagelijkse huishoudelijke taken die u vóór het ongeval zelf uitvoerde.

Het gaat nadrukkelijk niet om persoonlijke verzorging, verpleging of klussen in huis en tuin. Voor die vormen van hulp gelden andere schadeposten en regelingen.

Vergoeding volgens de Richtlijn Huishoudelijke Hulp

In de letselschadepraktijk wordt bij de berekening van deze schadepost meestal gebruikgemaakt van de Richtlijn Huishoudelijke Hulp van De Letselschade Raad.

Deze richtlijn biedt een objectieve en breed geaccepteerde standaard. De meeste verzekeraars sluiten hierbij aan, waardoor discussies over de hoogte van de vergoeding beperkt blijven.

Belangrijk om te weten: de richtlijn erkent uitdrukkelijk dat ook hulp door partner, familie of vrienden een financiële waarde vertegenwoordigt. Het maakt dus niet uit dat u daarvoor geen factuur ontvangt.

De eerste 13 weken na het ongeval

Voor de eerste periode van ongeveer drie maanden (13 weken) na het ongeval werkt de richtlijn met een vast normbedrag per week.

De hoogte van dit bedrag hangt af van:

  • uw gezinssituatie (alleenstaand, samenwonend of met kinderen);

  • de ernst van uw beperkingen (licht/matig of zwaar);

  • uw aandeel in het huishouden vóór het ongeval.

Deze vergoeding is niet gekoppeld aan bonnetjes of facturen van een schoonmaakbedrijf. Juist daardoor wordt voorkomen dat een verzekeraar kan stellen:
“Als het gratis is gedaan, is er geen schade.”

De richtlijn erkent dat de inzet van uw partner of familie tijd, energie en belasting met zich meebrengt – en dus schade vormt.

De periode na 13 weken

Als na de eerste drie maanden nog steeds huishoudelijke hulp nodig is, wordt de vergoeding gebaseerd op een uurtarief.

Voor mantelzorg geldt momenteel een richtbedrag van € 13,- per uur. Wanneer de hulpbehoefte langer dan zes maanden voortduurt, kan de verzekeraar gehouden zijn een redelijke en structurele vergoeding te betalen.

De exacte berekening hangt af van uw persoonlijke situatie en de duur en omvang van uw beperkingen.

Waarom deze schadepost niet moet worden onderschat

Huishoudelijke hulp wordt soms als een “bijzaak” gezien. In de praktijk blijkt echter dat het overnemen van het huishouden door een partner of familielid een grote belasting kan vormen – zowel fysiek als emotioneel.

Juist daarom erkent de Richtlijn Huishoudelijke Hulp dat deze inzet een vergoedbare schadepost is, ook als er geen betaling heeft plaatsgevonden.

Vragen over uw situatie?

Twijfelt u of u recht heeft op vergoeding van huishoudelijke hulp? Of krijgt u discussie met de verzekeraar over deze schadepost?

Neem dan vrijblijvend contact met mij op. Ik zorg ervoor dat ook deze – vaak onderschatte – schade zorgvuldig wordt meegenomen in uw letselschadezaak, zodat u krijgt waar u recht op heeft.

Moet u meewerken aan alles wat de verzekeraar van de wederpartij voorstelt?

Een veelgestelde en lastige vraag

Veel slachtoffers van letselschade worstelen met deze vraag. En dat is begrijpelijk. De meeste letselschadezaken worden immers geregeld met de verzekeraar van de partij die het ongeval heeft veroorzaakt. Die verzekeraar beoordeelt welke schadeposten wel en niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Als letselschadeadvocaat sta ik u daarbij bij. Ik verzorg de correspondentie en voer namens u de discussie met de verzekeraar.

Het korte antwoord op de vraag in deze blog luidt: nee, u bent niet verplicht om alles te doen wat de verzekeraar vraagt, maar u heeft als slachtoffer wel een schadebeperkingsplicht.

Wat houdt de schadebeperkingsplicht in?

Als slachtoffer van letselschade moet u redelijke stappen nemen om te voorkomen dat uw schade onnodig groter wordt. U bent dus gehouden om uw schade zo veel mogelijk te beperken, maar alleen binnen redelijke grenzen en met inachtneming van uw persoonlijke situatie.

Deze verplichting is vastgelegd in artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek. Daarin staat dat de vergoedingsplicht kan worden verminderd als de schade mede is veroorzaakt doordat een slachtoffer zijn schade had kunnen beperken, maar dat niet heeft gedaan.

Wat wordt in de praktijk als ‘redelijk’ gezien?

Wat redelijk is, verschilt per persoon en per situatie. Enkele praktische voorbeelden:

  • Meewerken aan medisch noodzakelijke behandelingen, zoals fysiotherapie of revalidatie, wanneer dit de kans op herstel vergroot.

  • Geen onnodig dure keuzes maken, bijvoorbeeld bij vervangend vervoer, als een vergelijkbaar en passend alternatief volstaat.

  • Tijdig medische hulp inschakelen en adviezen opvolgen die bijdragen aan uw herstel.

Daar staat tegenover dat u niet verplicht bent om risicovolle of experimentele behandelingen te ondergaan waarvan de uitkomst onzeker is. Ook hoeft u niet klakkeloos alles te doen wat een verzekeraar redelijk vindt. Alleen datgene wat in uw specifieke situatie redelijk van u kan worden verlangd, valt onder de schadebeperkingsplicht.

Wat als u niet meewerkt aan schadebeperking?

Als u zonder goede reden weigert mee te werken aan redelijke schadebeperkingsmaatregelen, kan de verzekeraar stellen dat u uw schade onvoldoende heeft beperkt. In dat geval kan worden betoogd dat uw schadevergoeding moet worden verminderd met het deel van de schade dat u had kunnen voorkomen.

Dat klinkt streng, en dat kan het soms ook zijn. Maar dit is geen vrijbrief voor verzekeraars om alles bij het slachtoffer neer te leggen. De redelijkheidstoets blijft doorslaggevend. Wat in uw persoonlijke situatie redelijk is, bepaalt hoe de schadebeperkingsplicht in uw dossier wordt toegepast.

Tot slot: een belangrijke tip

Laat behandelingen, adviezen en gemaakte keuzes goed documenteren en overleg tijdig met een deskundige over wat in uw geval redelijke stappen zijn. Dat voorkomt discussies achteraf over wat wel en niet voor vergoeding in aanmerking komt.

Uiteraard begeleid en adviseer ik u daarbij als uw letselschadeadvocaat, zodat u zich kunt richten op wat het belangrijkste is: uw herstel.

Waarom een verzekeraar een letselschadeslachtoffer niet naar het WMO-loket mag afschuiven

In de letselschadepraktijk zie ik het helaas nog vaak gebeuren: een verzekeraar erkent aansprakelijkheid voor een ongeval, maar weigert vervolgens om noodzakelijke hulp of voorzieningen te vergoeden. In plaats daarvan wordt het slachtoffer verwezen naar de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) van de gemeente.

Het lijkt misschien logisch: “Vraag het maar bij de gemeente.” Maar juridisch gezien is dat onjuist — en in de praktijk ook ronduit schadelijk voor het slachtoffer.

Wat is het probleem?

Na een ongeval kan het zijn dat u tijdelijk of blijvend hulp nodig heeft in het huishouden, of dat uw woning aangepast moet worden omdat u de trap niet meer op kunt, of niet zelfstandig kunt douchen. In die situaties hoort de verzekeraar van de aansprakelijke partij deze kosten te vergoeden.

Toch proberen verzekeraars soms onder deze kosten uit te komen door te zeggen:

“Vraag maar een WMO-voorziening aan.”

Dat lijkt een eenvoudige oplossing, maar het legt de verantwoordelijkheid bij het slachtoffer, terwijl het juist de verzekeraar is die schade moet vergoeden. Bovendien zijn de wachttijden bij de WMO vaak lang, waardoor het slachtoffer zonder hulp komt te zitten — en dus zonder douche, traplift of huishoudelijke ondersteuning.

Wat zegt de rechter hierover?

Rechters hebben zich hier al meerdere keren over uitgesproken. De conclusie is steeds dezelfde: het verwijzen naar de WMO is in strijd met het aansprakelijkheidsrecht.

De kern van het aansprakelijkheidsrecht is dat de aansprakelijke partij de schade moet herstellen of vergoeden. Dat betekent dat de verzekeraar niet mag proberen om de verantwoordelijkheid af te schuiven op publieke middelen.

Een uitspraak uit 2023 maakte dit extra duidelijk. Daarin oordeelde de rechtbank dat:

  • Een slachtoffer geen verplichting heeft om een WMO-aanvraag te doen;

  • Een verzekeraar niet mag eisen dat eerst WMO wordt aangevraagd;

  • De kosten die duidelijk samenhangen met het letsel gewoon vergoed moeten worden door de verzekeraar.

De rol van de WMO

De WMO is bedoeld als vangnetvoorziening: een laatste redmiddel voor mensen die op geen enkele andere manier hulp kunnen krijgen. Maar als er een aansprakelijke partij is die de schade behoort te vergoeden, dan staat deze privaatrechtelijke verplichting boven de WMO.

U mag als slachtoffer uiteraard wél zelf kiezen om een WMO-aanvraag te doen. Maar u bent daartoe niet verplicht, en het mag nooit een voorwaarde zijn voor vergoeding van schade.

Conclusie

Bent u slachtoffer van een ongeval en heeft u voorzieningen of hulp nodig vanwege uw letsel? Dan hoort de aansprakelijke verzekeraar deze kosten te vergoeden — niet de gemeente via de WMO.

Laat u dus niet wegsturen of afschepen met een standaardbriefje richting het WMO-loket. En heeft u vragen over uw rechten of twijfels over wat u wel of niet moet aanvragen? Neem dan gerust en vrijblijvend contact met mij op. Ik denk graag met u mee.

Vijf vragen over Wmo en letselschade

Wie betaalt de kosten van uw advocaat bij letselschade?

Wanneer u slachtoffer bent van een ongeval, komt er veel op u af. U moet herstellen, maakt misschien afspraken met artsen of therapeuten, en ondertussen loopt de schade op. Eén van de eerste vragen die ik vaak hoor, is: wie betaalt eigenlijk de kosten van mijn advocaat?

Het goede nieuws: in veel gevallen hoeft u die kosten niet zelf te dragen. Hieronder leg ik uit hoe dat zit.

De wet is duidelijk: kosten juridische bijstand worden vergoed

Als een ander aansprakelijk is voor uw letsel, moet diens verzekeraar niet alleen uw schade vergoeden, maar ook de redelijke kosten van juridische bijstand. Dat staat in artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek.

Het uitgangspunt is simpel: u mag er als slachtoffer financieel niet op achteruitgaan doordat u juridische hulp inschakelt. Met andere woorden: de advocaatkosten horen gewoon bij de schadeposten en worden dus in principe vergoed door de tegenpartij.

Waarom ik niet werk met ‘no cure, no pay’

Sommige kantoren bieden een zogenoemde no cure, no pay-regeling aan: u betaalt dan alleen als u de zaak wint, vaak in de vorm van een percentage van uw schadevergoeding. Hoewel dit aantrekkelijk klinkt, is het in letselschadezaken meestal niet nodig en vaak zelfs niet in uw voordeel.

Bij dit soort afspraken wordt soms 20 tot 30 procent van uw schadevergoeding ingehouden als honorarium. Geld dat bedoeld is om uw toekomst en herstel te ondersteunen, gaat dan deels naar advocatenkosten.

Ik kies er bewust voor om niet te werken op basis van no cure, no pay of percentages. Waarom niet? Omdat het simpelweg niet nodig is:

  • Als de aansprakelijkheid erkend is, worden mijn kosten volledig vergoed door de verzekeraar.

  • Is de aansprakelijkheid nog in onderzoek? Dan worden de kosten vaak (deels) toch al vergoed.

Zo blijft uw schadevergoeding volledig van u.

Transparantie en vertrouwen staan voorop

U hoeft bij mij geen onverwachte facturen te verwachten. En u hoeft geen rekensom te maken waarbij u een deel van uw smartengeld of inkomensschade moet afdragen.

De kosten die ik maak, declareer ik rechtstreeks bij de verzekeraar van de aansprakelijke partij, met een duidelijke urenverantwoording. Alles verloopt transparant, zodat u weet waar u aan toe bent.

Conclusie

U heeft recht op deskundige, onafhankelijke juridische hulp bij letselschade zonder dat dit ten koste gaat van uw vergoeding. Ik zorg ervoor dat de kosten worden verhaald waar ze thuishoren: bij de verzekeraar van de aansprakelijke partij.

Heeft u vragen over uw situatie of twijfelt u of uw juridische kosten vergoed worden? Neem dan gerust contact met mij op. Ik kijk graag met u mee.

Aansprakelijkheid van kinderen: wie betaalt de schade?

Een bal door de ruit, schade aan een geparkeerde auto of zelfs letsel bij een ander kind — een ongeluk is zo gebeurd, zeker bij kinderen. Maar wie is er dan aansprakelijk? En wie betaalt de schade? De wet maakt hierin een duidelijk onderscheid op basis van de leeftijd van het kind. In deze blog leg ik uit hoe het juridisch zit én waar u als ouder op moet letten.

Kinderen tot 14 jaar: ouders zijn vrijwel altijd aansprakelijk

Is uw kind jonger dan 14 jaar, dan bent u als ouder of verzorger vrijwel altijd aansprakelijk voor de schade die hij of zij veroorzaakt (artikel 6:169 lid 1 BW). De gedachte hierachter is dat jonge kinderen de gevolgen van hun gedrag nog niet kunnen overzien.

Voorbeeld: gooit uw 8-jarige kind een bal door de ruit van de buren? Dan kan de buurman u aanspreken voor de herstelkosten. Ook als het ongeluk ‘per ongeluk’ gebeurde, blijft de aansprakelijkheid bestaan.

Kinderen van 14 en 15 jaar: kind én ouders kunnen aansprakelijk zijn

Bij kinderen van 14 of 15 jaar kunnen zowel het kind als de ouders aansprakelijk worden gesteld (artikel 6:169 lid 2 BW). De wet gaat ervan uit dat kinderen in deze leeftijdsgroep al beter kunnen inschatten wat gevaarlijk of onverstandig gedrag is, maar dat ouders nog steeds een zekere verantwoordelijkheid dragen.

In de praktijk kan de benadeelde kiezen of hij de schade bij het kind of bij de ouders verhaalt. Soms worden beiden aangesproken.

Kinderen van 16 en 17 jaar: kind is zelf aansprakelijk

Vanaf 16 jaar ligt de volledige aansprakelijkheid bij het kind zelf. U als ouder bent dan in principe niet meer verantwoordelijk voor schade die uw zoon of dochter veroorzaakt.

Let op: ook al is uw kind zelf aansprakelijk, schade kan vaak nog jarenlang worden verhaald. Een benadeelde partij kan de vordering juridisch ‘openhouden’ door de verjaring tijdig te stuiten. Zodra uw kind meerderjarig is en bijvoorbeeld inkomen heeft, kan de schade alsnog worden geïnd.

Wie betaalt in de praktijk? De rol van de AVP-verzekering

In veel gevallen wordt schade verhaald via een aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren (AVP). Deze verzekering dekt vaak ook schade veroorzaakt door minderjarige kinderen, zolang het niet gaat om opzet of uitgesloten risico’s.

Heeft u géén AVP-verzekering? Dan moet u — of uw kind — de schade uit eigen zak vergoeden. Zeker bij letselschade kan dit om forse bedragen gaan.

Let op bij (verboden) voertuigen, zoals fatbikes

Een belangrijk aandachtspunt: een AVP dekt géén schade die veroorzaakt wordt met een motorrijtuig. Denk aan een fatbike die harder dan 25 km/u kan en daarmee juridisch wordt aangemerkt als bromfiets.

Rijdt uw 13-jarige op zo’n fatbike en veroorzaakt hij of zij een ongeval waarbij iemand gewond raakt? Dan bent u als ouder aansprakelijk, maar zal de AVP geen dekking bieden. Zonder WAM-verzekering (verplichte verzekering voor motorrijtuigen) zult u de schade dus zelf moeten betalen. En dat kan in geval van letsel flink oplopen.

Conclusie

De wet legt de verantwoordelijkheid voor schade steeds meer bij kinderen naarmate zij ouder worden. Toch blijft u als ouder in veel gevallen (mede)verantwoordelijk.

Zorg daarom voor een goede aansprakelijkheidsverzekering én wees alert op het gebruik van voertuigen zoals fatbikes of elektrische steps. Zo voorkomt u dat een relatief klein ongeluk leidt tot grote financiële schade.

Twijfelt u over een schadeclaim waarbij uw kind betrokken is? Of heeft u vragen over uw aansprakelijkheid als ouder? Neem dan gerust contact met mij op. Ik denk graag met u mee.

Smartengeld en de Rotterdamse schaal: meer duidelijkheid voor slachtoffers

Wanneer u letsel oploopt door een ongeval of misdrijf, heeft u vaak niet alleen te maken met medische kosten of inkomensverlies. Er is ook een ander, moeilijker te benoemen soort schade: pijn, verdriet, angst, beperkingen in het dagelijks leven of het verlies van levensplezier. Deze immateriële schade komt in aanmerking voor een vergoeding die we smartengeld noemen.

Maar hoe wordt bepaald hoeveel smartengeld u ontvangt? En wat verandert er met de komst van de Rotterdamse schaal?

Wat is smartengeld?

Smartengeld is een geldbedrag ter compensatie van immateriële schade. Het gaat niet om vergoeding van kosten of gemiste inkomsten, maar om een vorm van erkenning voor het leed dat u is aangedaan. Denk aan:

  • Blijvende pijnklachten

  • Psychische gevolgen van een ongeval

  • Beperkingen in hobby’s, werk of sociale contacten

  • Vermindering van levensvreugde

Elke letselschadezaak is uniek. Toch moeten rechters en verzekeraars bepalen welk bedrag redelijk is als compensatie voor dit persoonlijke leed.

Hoe worden smartengeldbedragen vastgesteld?

In Nederland worden smartengeldbedragen gebaseerd op eerdere uitspraken van rechters in vergelijkbare zaken. Daarbij wordt onder meer gekeken naar:

  • De aard en ernst van het letsel

  • Uw leeftijd

  • De duur en intensiteit van de klachten

  • De gevolgen voor uw dagelijks leven, werk en vrijetijdsbesteding

Het probleem? Geen enkel letsel is hetzelfde, en interpretatie van eerdere zaken verschilt per rechter. Tot nu toe bestond er geen uniforme richtlijn, wat leidde tot veel verschillen in de hoogte van toegekende bedragen.

Wat is de Rotterdamse schaal?

Op 10 september 2025 is de Rotterdamse schaal gepresenteerd door de Erasmus School of Law, in opdracht van de Raad voor de rechtspraak. Deze schaal biedt per soort letsel een duidelijke bandbreedte van smartengeldbedragen.

Bijvoorbeeld: bij middelzwaar polsletsel met blijvende beperkingen ligt het smartengeld tussen de € 17.000 en € 27.000. Binnen deze bandbreedte wordt rekening gehouden met persoonlijke factoren zoals leeftijd, herstelduur en de impact op het dagelijks leven.

De Rotterdamse schaal is gebaseerd op uitgebreid Nederlands jurisprudentieonderzoek en geïnspireerd op bestaande richtlijnen uit onder andere Engeland en Ierland.

Wat betekent dit voor u als slachtoffer?

Hoewel de Rotterdamse schaal niet juridisch bindend is, vormt deze wel een sterke richtlijn. Rechters kunnen ervan afwijken, maar moeten hun beslissing dan goed motiveren.

Voor slachtoffers biedt dit meer:

  • Houvast bij het inschatten van het mogelijke smartengeld

  • Consistentie in uitspraken en afwikkelingen

  • Onderhandelingskracht bij gesprekken met verzekeraars

Kortom: de schaal maakt het proces transparanter en geeft slachtoffers een beter beeld van hun rechten en mogelijkheden.

Conclusie

Smartengeld is bedoeld als erkenning voor het leed dat u door letsel ervaart. De Rotterdamse schaal helpt om die erkenning concreter en eerlijker te maken.

Heeft u letsel opgelopen en wilt u weten wat dit voor u betekent? Of heeft u vragen over het smartengeld in uw zaak? Neem dan gerust contact met mij op. Ik help u graag inzicht te krijgen in uw rechten.

Wist u dat een elektrische step als motorvoertuig wordt gezien?

Elektrische steps zijn inmiddels een vertrouwd straatbeeld. Ze ogen compact, stil en onschuldig,  bijna als speelgoed. Maar juridisch ligt dat anders. Een elektrische step wordt volgens de Wegenverkeerswet (WVW) aangemerkt als bromfiets, en valt daarmee onder de categorie motorrijtuigen.

En dat heeft grote gevolgen. Met name als er een ongeval plaatsvindt met een fietser of voetganger.

Aansprakelijkheid bij een aanrijding met een e-step

Wordt een fietser of voetganger aangereden door een bestuurder van een elektrische step, dan geldt in principe volledige aansprakelijkheid van de stepbestuurder. Dat volgt uit artikel 185 WVW, dat kwetsbare verkeersdeelnemers extra bescherming biedt.

Uitzonderingen zoals overmacht of eigen schuld van het slachtoffer worden zeer terughoudend aangenomen door rechters. Een recente uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland bevestigt dit opnieuw.

De zaak: step vs. fiets op een woonerf

Op 4 oktober 2021 vond een ongeval plaats op een woonerf. Een elektrische step naderde een fietsster met aanzienlijke snelheid. De vrouw schrok van de step en kwam ten val. Zij werd niet fysiek geraakt, maar de schrikreactie leidde wel tot letsel.

De stepbestuurder stelde dat de fietsster zelf schuld had aan het ongeval. Zij zou onhandig of onvoldoende alert zijn geweest. Maar de rechter oordeelde anders.

Waarom was de stepbestuurder volledig aansprakelijk?

De rechtbank onderzocht of er sprake was van omstandigheden die de aansprakelijkheid van de stepbestuurder zouden kunnen beperken:

  • Overmacht? Nee. De val van de fietsster was geen zó onwaarschijnlijke gebeurtenis dat de stepbestuurder daar geen rekening mee hoefde te houden.

  • Opzet of bewuste roekeloosheid van het slachtoffer? Ook niet. Er waren geen aanwijzingen dat de fietsster roekeloos of bewust gevaarlijk handelde.

  • Eigen schuld? De enkele stelling dat de fietsster "minder behendig" zou zijn, was onvoldoende.

De conclusie: de aansprakelijkheid ligt volledig bij de bestuurder van de elektrische step.

Let op: verzekering dekt schade vaak niet

Een belangrijk gevolg van deze kwalificatie als motorrijtuig is dat schade niet automatisch gedekt wordt door een particuliere aansprakelijkheidsverzekering (AVP). De meeste AVP-polissen sluiten schade veroorzaakt met of door een motorrijtuig uit.

Heeft de stepbestuurder geen aparte verzekering voor de elektrische step? Dan draait hij of zij persoonlijk op voor de schade inclusief eventuele letselschade, inkomensverlies en smartengeld.

Conclusie

Wie op een elektrische step rijdt, moet zich bewust zijn van de verkeersrechtelijke én financiële risico’s. In juridische zin bent u bestuurder van een motorrijtuig. En dat betekent dat u bij een ongeval met een fietser of voetganger al snel volledig aansprakelijk bent voor de schade.

Bent u slachtoffer van een aanrijding met een elektrische step en wilt u weten waar u recht op heeft? Of heeft u als bestuurder vragen over uw aansprakelijkheid? Neem dan gerust contact met mij op. Ik denk graag met u mee.